Mijn blog gaat over gepubliceerde boeken die ik uit de handel heb gehaald. Hier vertel ik over mijn jeugdervaringen, waarin ik via uittredingen een man met een baard naast mijn bed zag zitten.
Hij sprak zijn naam uit: Oliver J. Lodge. Hij nam me mee op reis, liet de prachtige tuinen zien en gaf uitleg over de verschillende dimensies. 
Hoewel iedereen op zijn eigen manier zijn geloof ervaart, probeer ik de hemel te verklaren met kwantumfysica. 
Deel gerust mijn verhalen, maar pas op dat u mijn naam en website erbij vermeldt in verband met copyright.  © 2025-sylvialucia

Heimwee naar de Pinkstertuin

Hoofdstuk 4

 

Heimwee naar de Pinkstertuin

Toen, zomaar op die ene belangrijke en nooit te vergeten dag, mocht ik met Jezaibel mee op reis. De reis die een onuitwisbare indruk op mij achtergelaten heeft. Ik was ondertussen een jaar of tien. Het was de nacht van zondag, de eerste pinksterdag, op maandag. Ik werd wakker terwijl mijn lichaam sliep en voelde me het gewichtloze balletje dat er ergens boven mijn navel uitging. Het moment dat ik als ‘balletje’ mezelf naar beneden voelde glijden, vond ik nooit zo prettig. Ik kreeg dan meestal een draaierig gevoel, waarvan ik zelfs vaag duizelig en misselijk werd. Ik probeerde het vaak ook tegen te houden.

Deze keer was het anders. Ik viel vrij snel toch in slaap om daarna weer wakker te worden en als het gewichtloze balletje, zonder enige moeite, uit mijn navel te floepen. Ik zag Jezaibel bij mijn bed staan. Ik zag hem nooit helemaal als een persoon, maar ik zag zijn bovenlijf dat was gekleed in een wit gewaad, gedrapeerd om zijn lichaam. Het was allemaal enigszins vormeloos, verwaaid, als energie die opdwarrelde.
Jezaibel had grijswit haar, dat vrij lang in de nek was en bovenop zijn hoofd een kale kruin, en een zilverwitgrijze baard. Hij zei tegen mij dat hij mij iets wilde laten zien wat belangrijk voor mijn ontwikkeling was. We gingen op reis.
Verschrikt zei ik dat ik niet zomaar mee kon gaan, zo ver van huis; dat zouden mijn ouders nooit goed vinden. Glimlachend zei Jezaibel dat hij dat begreep.
“Wie wil je meenemen?” vroeg Jezaibel.
Ik dacht diep na.
“Hier krijg ik last mee,” weifelde ik zonder zijn vraag te beantwoorden.
“We zullen je vader meenemen, goed?” vroeg hij glimlachend.
“Mijn vader slaapt toch?” zei ik, verontwaardigd over zoveel domheid.
Jezaibel bleef glimlachen, ondanks al mijn verontwaardiging en opstandigheid. Het verbaasde me zo dat hij nooit kwaad werd.
“We nemen hem gewoon slapend mee,” zei hij lachend.
Er waren nog veel meer ‘energieën’. Dat had ik wel vaker gevoeld wanneer Jezaibel bij me was, maar ik zag en voelde de rest niet altijd. Het leek meestal alsof ze buiten mijn slaapkamer waren, omdat ze op dat moment geen duidelijke rol speelden.
Deze keer waren ze wel duidelijk aanwezig. Er waren heel veel helpers, maar Jezaibel deelde duidelijk de lakens uit, hoewel zeker niet op een dominante manier. Het was een natuurlijk leiderschap. Op een vanzelfsprekende manier wist iedereen wat hij moest doen.

We keken door de muur naar de slaapkamer van mijn ouders en ik zag dat de slapende energie boven hun lichamen hing, verbonden met een koord. Twee helpers namen mijn vader tussen hen in. Zijn ‘geest’ werd even wakker en hij vroeg wat er aan de hand was. Het werd hem met gedachtekracht uitgelegd. Hij antwoordde dat het goed was en ging meteen weer slapen. Ik moest erom lachen.

We gingen zwevend door de ruimte, het was een hele optocht, waarbij ik mijn vader goed in de gaten hield door steeds achterom te kijken. Zelf werd ik vastgehouden door Jezaibel en door nog iemand die ik niet goed kon zien.
We kwamen aan bij groene heuvels. Zo mooi groen had ik gras nog nooit gezien. Met een dal in het midden waar gras groeide met kleine, frisse bloemen. Achter mij was een glazen tunnel waaruit allerlei mensen kwamen, ondersteund door ‘energieën’ die hier bekend waren. Het was er licht en helder als op een zonnige voorjaarsdag. Kennelijk kon je de tunnel ook overslaan, begreep ik, want we waren er niet via de tunnel gekomen, maar we waren op een andere manier door de barrière gegaan. Ik had inderdaad opgemerkt dat er een soort dikke laag of massa van energie tussen het heelal en 'het andere land' was, maar lichtgestaltes hadden er een opening vrijgehouden.

Achter iedere heuvel is een trilling

Jezaibel legde mij uit dat achter elke heuvel een trilling was. De trilling van je geest trok naar de trilling achter die heuvels, naar daar waar je thuishoorde. We stonden op een verhoogd stuk gras bij de derde heuvel van rechts, vanaf de glazen tunnel. Mijn vader had niet dezelfde trilling als ik en mocht niet verder mee. 
Ik schudde hem wakker en vroeg of ik even met Jezaibel over de heuvel mocht kijken. Mijn vader zei dat het wel goed was. Hij liet zijn hoofd weer zakken en sliep weer verder, hangend tussen twee begeleiders in, die duidelijk bij mijn zielengroep hoorden, maar hem nu ondersteunden.

Ik ging over de heuvel en over het pad waar een slingerend weggetje liep dat daarmee alle heuvels verbond. Aan de andere kant van die heuvels, waartoe ik met mijn trilling kennelijk behoorde, zag ik de prachtigste bloemen staan die ik ooit had gezien. Ze waren blauw, paars en lila. Ik kon ze geen naam geven en ook de kleur had geen naam, maar ik vond het pinksterbloemen in de kleur van blauwe druifjes en ik zag een soort korenbloemen. Het was er heerlijk warm, maar niet ‘te’ warm, en de lucht was stralend en strak lichtblauw.

In het dal had ik het gevoel gehad dat het een prille voorjaarszon was geweest, maar hier was het zomer. Hoogzomer! Ik zocht de zon, maar ik zag haar niet. Iets wat ik erg raar vond; het was namelijk zo heerlijk licht. Ik vroeg of ik door de bloemen mocht dansen en lachend stond Jezaibel het toe. De bloemen kwamen tot mijn middel en ik danste en huppelde door de bloemen. Op blote voeten danste ik en ik voelde mij verrukt en gelukzalig en totaal één met mijn omgeving. Alle bloemen die ik vertrapte, kwamen meteen terug in de goede stand, alsof er niets gebeurd was.
Plotseling, als door een wesp gestoken, bleef ik staan; ik was mijn vader helemaal vergeten. Snel draaide ik me om. Mijn vader was voor een moment wakker geworden en zwaaide vrolijk naar me. Lachend hing hij tussen twee helpers in die hem, zo te zien, wel vast moesten houden, want hij hing er als een zoutzak bij, ondervond ik met een binnenpretje. Hij vond het een prachtig gezicht me te zien dansen door de bloemen en hij genoot zichtbaar met een blij lachend gezicht.

 

Mijn thuis

Ik zag rechts een wit schelpenpaadje om de bloemenzee heen lopen en daar weer rechts van een groot groen gazon. Ik danste rechtdoor en maakte een bed in de pinksterbloemen, waar ik op mijn rug ging liggen kijken naar de strakblauwe lucht. Er stond een vrouw in de tuin, met een jongen aan haar hand. Ze had zwart haar met grijze lokken erdoorheen. Ze lachte lief naar me als een begroeting.
Jezaibel vroeg of ik over het grasveld wilde rollen. Dat wilde ik natuurlijk dolgraag en opnieuw kwamen alle grassprieten die ik plattrapte meteen weer overeind. Aan de zijkant was een boom, waaronder het heerlijk koel was en waar ik voor een momentje bleef liggen. Het was er stil, Jezaibel had zich kennelijk teruggetrokken en ik dacht plotseling aan mijn vader. Zou hij ongerust worden?
Ik keek op en ontdekte een prachtig wit gebouw aan de andere kant van het grasveld. Ik vroeg Jezaibel, die net zo snel naast me stond als hij weer verdwenen was, of ik heel eventjes mocht kijken daarbinnen. Dat mocht en we gingen door een deur die in het midden van het gebouw zat, waardoor we in een heerlijke, koele hal kwamen. Boven de deur was een rond teken met iets erin, maar wat voor teken het was begreep ik niet. Binnen was een ruime, witte hal met veel tegels. Grote ronde terracotta-kleurige potten met enorme planten, een soort varens, stonden in de hal.

De achteruitgang bestond ook uit twee grote, dubbele, wijd open slaande deuren. Ze bevonden zich recht tegenover de dubbele voordeur, aan de andere kant van de hal. Ik mocht even buiten kijken, terwijl Jezaibel bij een patiënt ging kijken. Een aardige, rustige zuster in een witte jurk legde me uit dat Jezaibel zijn taak bestond uit het opvangen van overledenen die net van de aarde naar hier gekomen waren. Er waren rustkamers links en rechts van de hal.
Relaxed liep ik naar buiten. Ik was niet bang, ik had hier zelf gewoond. Maar nu ik weer een ander leven op aarde opbouwde, waren mijn herinneringen aan wie ik toen geweest was verdwenen. Maar de energie die er hing, de sfeer die ik voelde, het was zo eigen. Hier hoorde ik, hier resoneerde mijn energie met de omgeving en met de andere mensen die hier waren. Dit was de bron waar ik thuiskwam. 

Het bankje

Ik liep naar buiten. Achter het witte gebouw werd de tuin verkoeld door bomen. Er stonden twee enorme Amerikaanse bomen, waar ik uit wilde rusten in de schaduw. Ik keek rond. De grond was van hard zand, met hier en daar verspreid wat graspollen. Ook zag ik in de verte een bruin houten tuinbankje.
Er stonden enkele jongvolwassenen bij het bankje. Ze lachten samen, tot iemand mij opmerkte. Ze vielen stil. Kort daarop werden ze blij en onthutst om mij daar te zien. Ze herkenden mijn energie en wenkten me enthousiast om dichterbij te komen, maar ik durfde niet. Ik wist dat het mijn vrienden waren, maar ik durfde niet, want ik was nu een ander meisje dan toen en ik wist niet meer wie ik toen was. Ik herinnerde me dat niet meer. Daarom schudde ik verlegen van: 'Nee.'
Ik voelde de emoties van verdriet vanuit de groep. Ze waren verdrietig omdat ik niet meer wist wie ik was. En ook ze doorvoelden wat voor leven ik nu had, dat het zwaar voor me was en dat er nog zoveel moeilijke momenten zouden komen. Ik voelde mededogen en liefde. 

 

De indeling van het witte gebouw

Jezaibel voelde mijn onmacht en kwam door de dubbele deuren naar buiten. Hij riep me en ik rende naar hem toe. Ik vroeg hem waarom alles me zo eigen was en waar ik hem en de mensen bij het bankje van kende, want ik herinnerde me niets meer.
Hij stopte en keek me aan. 
Hij vertelde me dat deze plek in de derde dimensie was. Hier was ik ooit begonnen met mijn cycles van levens. Hier kwam ik terug na een leven op aarde.
In verschillende levens op aarde hadden we elkaar ontmoet. In een recent leven op aarde was ik zijn dochter geweest. Hij was toen mijn vader,  maar nu had ik een andere vader. In dat leven had ik niet lang op aarde geleefd. Ik was enkele minuten na mijn geboorte al gestorven. Mijn officiële naam zou Laura zijn, genoemd naar een zus van Oliver J. Lodge, hoewel ze twijfelden om me Leile te noemen. Wie was ik nu? Sylvia of Leile?

We gingen opnieuw het gebouw binnen en hij vroeg de zuster of ze mij wilde laten zien wat er in dit opvanggebouw gedaan werd. In de hal kon je links en rechts een gang in. Aan iedere kant van die gang waren twee grote kamers met aan de voorkant, waar het gazon lag, heel veel ramen. Het deed me denken aan een oud schoolgebouw met klaslokalen, maar dan met allemaal tegels en plavuizen en hoge gangen. Het was er ruim en licht, hoewel het beslist geen pracht en praal was, maar juist erg eenvoudig. De kleur van het zonlicht was niet te benoemen; het was zo mooi en helder.
Hoewel het qua heldere lucht en wit gebouw, met een prachtig gazon ervoor met rozen, erg veel aan de dia van tante Zuster deed denken, was het hier nog veel mooier. Het heldere licht dat hier scheen, leek alles honderd keer mooier te maken dan alle tuinen die ik op aarde had gezien.

Jezaibel kwam mij en de zuster opzoeken, want hij vond het de hoogste tijd dat we teruggingen, maar ik wilde niet. Ik wilde daar blijven, maar Jezaibel benoemde het feit dat mijn vader op mij wachtte. 
Ik snikte nu van verdriet. Ik moest kiezen, want immers als ik hier bleef, was mijn vader op aarde verdrietig en als ik met mijn vader terugging, moest ik dit hier achterlaten. Ik vond het zo moeilijk.
Jezaibel bukte en omarmde mij en zei dat ik niet verdrietig moest zijn. Hij was en bleef mijn vader van de Pinkstertuin en hij zou me altijd opzoeken, ook al zag ik hem misschien niet. 
Ik moest nu echt terug van Jezaibel en samen met mijn alweer slapende vader gingen we terug.


Ontwaken

Ik merkte niets van mijn terugkeer. De volgende ochtend werd ik gewoon wakker in mijn lichaam. Maar deze uittreding veranderde mijn leven, want daarna was niets meer hetzelfde. Mijn heimwee werd nog erger nadat ik in de Pinkstertuin was geweest. Nog zijn er momenten, zoals op een stralende, zonnige, windstille dag met een blauwe hemel, dat ik een knagend gevoel van heimwee voel.
Momenten dat ik zo graag even ‘daar’ zou willen zijn, waardoor de tranen me spontaan in de ogen springen, omdat het niet kan. Waar ik op dat moment ook ben, het maakt niet uit, dat intense, knagende en niet te omschrijven heimweegevoel is altijd gebleven. 

 

Note:

Mijn vader had al die tijd geslapen, maar wist jaren daarna nog steeds te vertellen dat hij ooit had gedroomd dat het Pinksteren was en dat hij mij in een droom had zien dansen door de bloemen. Iedere keer als het liedje op de radio was van ‘Op een mooie pinksterdag’ van Leen Jongewaard, moest iedereen even stil zijn, want het was zijn liedje.

 

Lees meer »

Hoofdstuk 3

HOOFDSTUK 3

 

Dubbelleven

Ik beleefde veel plezier op de lagere school. Hoewel ik soms van binnen een gevoel had 'anders' te zijn, speelde ik veel met vriendinnen. Op die momenten had ik nooit zoveel 'last' van mijn 'anders' zijn; dat begon meestal als ik alleen was en mij ontspande.

Spelen met andere kinderen

Het werd rolschaatstijd en we deden de rolschaatsen onder onze laarzen. Met opzet waren we met een groepje vriendinnen onrustig in de klas om ervoor te zorgen dat we straf kregen en in het speelkwartier binnen moesten blijven. Het was de gewoonte dat bij goed weer de meesters en juffen buiten tijdens dat kwartier over het schoolplein liepen, zodat we binnen in de school vrij spel hadden.
Wanneer de leerlingen en de leraren naar buiten gingen, trokken we snel onze laarzen aan en rolschaatsten we over de granieten vloeren de hele school door. Het was even opletten dat je vaart minderde in de twee scherpe haarspeldbochten. Helaas remde Jannie wat laat af en vloog ze met een rotgang op de muur af, waar precies in de laatste bocht de schoolbel hing. Het enige wat haar vaart kon afremmen, was het touw van de bel dat ze natuurlijk greep en waar ze aan trok in haar vaart. Met volle overtuiging luidde ze de bel. Terwijl alle verbaasde schoolkinderen zich buiten afvroegen waarom het speelkwartier maar vijf minuten duurde en zich in rijen opstelden voor de grote hoofdingang, zorgden we snel dat we onze laarzen weer onder de kapstokken kregen. Ik moest door mijn klasgenoten geholpen worden om mijn laarzen uit te trekken, omdat ik op dat soort momenten vreselijk de slappe lach kreeg, waarbij de tranen over mijn wangen liepen. Godzijdank bleef ik die gave mijn leven lang houden, want mijn humor heeft me door veel strubbelingen heen geleid.

 

Herbeleven van vorige levens door middel van beelden

Van mijn leven als rentmeester was ik steeds duidelijker beelden gaan zien. In die beelden zag ik mannen die plotseling vanuit de bosrand op ons afkwamen. Mijn vriend viel als eerste langs zijn paard en daarna viel ik voorover over het hoofd van mijn paard, nadat we gestoken werden met een lans. Ik had elke keer opnieuw het gevoel alsof ik dan meters naar beneden viel en ik voelde daar iedere avond angst voor, omdat ik na vele ervaringen vooraf 'wist' dat het weer ging gebeuren.
Tot ik begreep dat iedere keer wanneer ik viel, alles gewoon doorging. Toen werd mijn angst voor het vallen minder. De wereld stopte niet, ik stopte niet, ik bleef. Ik ging niet echt dood, ik viel, maar daarna was ik er nog steeds. Door dat te beseffen, bleven de filmpjes en beelden weg.

 

Herbeleven van de beelden van een geliefde
Na een paar maanden rust kwamen er nu andere beelden. Er kwamen opnieuw filmpjes en beelden, maar ook heldere dromen, over de Eerste Wereldoorlog.
Het bijzondere was dat het geen beelden van mezelf waren, maar van mijn zielenmaat uit de groep waarbij ik me zo prettig had gevoeld. De groep uit mijn vage herinnering, waar ik had gewoond voordat ik was geboren.
Nu doorleefde ik zijn angst als soldaat in een loopgraaf. De verbintenis met hem was zo hecht, dat ik het ervoer alsof ik het zelf was. Het was in België. Ik hoorde overal geschreeuw en geknal. Handgranaten vlogen om mijn oren en overal was rook. Ik werd geraakt en ik viel opzij. De loopgraaf waar ik in had willen vluchten stortte in, zodat er modder in mijn mond, neus en oren kwam. Ik stikte langzaam en raakte enorm in paniek. Die paniek was het ergste, de angst om te stikken.
De periodes van het doorvoelen van de beelden uit zijn eerdere leven vond ik verschrikkelijk. Ik begreep ook niet goed waarom ik zijn beelden zag. Dat maakte het voor mij moeilijker, want tot nu toe had ik alles kunnen begrijpen, maar het werd ongrijpbaar.
Iedere avond voor ik ging slapen, probeerde ik in mijn kussen te voelen hoe het moest zijn als je stikte. De angst daarvoor was vele malen groter dan de angst voor het vallen met het paard. De beelden van de rentmeester en van mijn maatje in de loopgraaf zouden later zo nu en dan nog terugkomen, maar namen uiteindelijk af in mijn kindertijd.

 

Het scheiden van mijn aardse leven en mijn herinneringen
Omdat ik twee levens leidde, als kind met herinneringen en verbintenissen met mijn zielengroep en mijn dagelijkse leven, kreeg ik, net zoals zoveel kinderen, een angst voor monsters en inbrekers. Iedere avond keek ik achter mijn slaapkamerdeur, onder mijn bed en in de kast, om te checken of het veilig was.
Mijn drie jaar oudere broer vond dat vermakelijk en maakte ook behoorlijk misbruik van mijn angst door enge geluiden te maken als ik boven kwam. Hij had het plan opgevat om in mijn kast te gaan zitten.
Toen ik echter de deur opende en een gedaante op de grond zag zitten, wierp ik met een rauwe gil de kastdeur dicht en draaide de sleutel om. Gillend rende ik naar beneden, waar mijn vader geïnteresseerd naar een documentaire op televisie keek.
Hij zei dat ik gewoon naar bed moest gaan en dat er echt geen inbrekers waren.
"Hij zit daar echt," vertelde ik mijn vader, "en ik draaide de deur op slot."
"Ach," vond mijn vader, "als je de kast op slot draaide, dan kan er toch niets gebeuren?"
Ik bleef dicht naast hem zitten in mijn nachtjapon en kreeg een gevulde koek met een beker chocolademelk.
Vanuit mijn rechterooghoek zag ik de man met de witte sik.
Met één wenkbrauw omhooggetrokken keek hij naar mij en zei hij dat ik mijn kastdeur moest openen, omdat het mijn broer was die in de kast zat en hij vertelde me streng dat hij erg bang werd.
Heel eventjes reageerde ik verbaasd om gelijk daarna te doen alsof ik hem niet zag.
Ik peuzelde met opzet traag stukjes van mijn gevulde koek, om mijn broer eens flink te laten zweten.
Vrij kort daarop zag ik Jezaibel alweer met een omhooggetrokken wenkbrauw.
"Sylvia?" zei hij kort en streng.
"Heit, toe nou, ga nu meekijken," dreinde ik nu en ik probeerde hem omhoog te trekken uit de stoel.
Mijn vader gaf zich gewonnen en liep met me mee naar boven. Hij opende de kastdeur. Daaruit kwam mijn broer naar buiten rollen. Hij was lijkwit en het zweet droop van zijn witte, benauwde gezicht. Als een haas schoot hij naar zijn slaapkamer. 

Ik schrok, omdat andere mensen niet hetzelfde begrijpen als wat ik begrijp

Ik begreep de verschillen niet meer. Jezaibel vertelde me over ‘de hemel’ en dat alles daar licht en liefde was. Een plaats die God maakte met al zijn licht en liefde.  Waar we op aarde aan meewerkten, omdat we ruimte maakten in ons binnenste, waar we een godsvonk bezaten met zijn liefde en licht, zodat we altijd terug konden keren naar het licht.
Om ruimte te maken, moesten we de te hevige emoties en gevoelens die we in vorige levens hadden opgedaan, opruimen. Zoals ik de beelden en filmpjes had gezien. We moesten ze verwerken en opruimen om verder te kunnen gaan.  Veel mensen hadden emotionele blokkades zoals: disrespect, jaloezie, egoïsme, belerendheid, macht, onbescheidenheid, materialisme of wraak. Daarom kwamen de mensen steeds terug naar de aarde, vertelde Jezaibel. Ze kwamen in het begin voor leerprocessen waarbij het lichtje groter zou worden, waarmee we zelf de hemel groter zouden kunnen maken, want iedere keer als je iets opruimde, werd je lichtje groter. Soms maakten we het zo bont dat ons lichtje kleiner geworden was.

Tegenstrijdigheden

In de kerk sprak men over God alsof hij een tovenaar was. Alsof God al die oorlogen kon stoppen. God kon niets stoppen wat de mensen zelf hadden gemaakt. Hij gaf ons alleen de kans om het zelf te veranderen, zei Jezaibel.  Jezaibel vertelde dat er in de kerk vaak over een God gesproken werd die eisen stelde en boos kon worden. Dat hij hen in een hel zou kunnen gooien als ze niet deden wat hij zei. Kennelijk bereidde hij me voor op de tegenstrijdigheden die ik tegen zou gaan komen, want in de kerk sprak men over doodslag, moord, liegen en stelen. Zaken waarover Jezaibel nooit had gesproken. Hij vertelde over emotionele gevoelens die opgeruimd moesten worden. Een moordenaar zou pas verder kunnen gaan wanneer hij spijt voelde. Wanneer hij zou kunnen voelen dat hij iemand tekort had gedaan door het leven af te nemen. Hij zou leren doorvoelen wat voor pijn de ouders en de familieleden voelden. Niets aan gevoelens zou hem bespaard blijven; dat was een straf op zich. Het ging om het doorvoelen dat je iemand kwetsde, iemand pijn deed.

 

Het witte huis

Ik mocht bij opa en oma logeren met mijn twee broers. Geweldig spannend vond ik het. Ze hadden een garage en daar rook het altijd heerlijk naar benzine.  Tussen mijn beide broers in liep ik de donkere straat uit. Ik hing helemaal achterover, omdat ik de sterren wilde zien.  Ik keek dromerig naar de maan, waar ik donkere en lichte vlekken op ontdekte.
Jezaibl had me eens verteld dat er een steelpan in de lucht getekend was met sterren. We hadden samen door mijn slaapkamerraam naar de sterren gekeken. 
Bij de garage aangekomen stond oma al te wachten. In de hal hoorde ik een vreemde stem vanuit de kamer.
“We hebben visite,” zei beppe, die mijn gedachten raadde, “van tante Zuster.”
Een opmerkelijke naam vond ik, want wie heette er nu zo? We hadden juffen die we zuster noemden, maar een tante zuster kende ik nog niet. Pas veel later ontdekte ik dat de zus van pake een non was en ze ook gewoon een naam had. Ze woonde in een klooster.
Van opzij bekeek ik haar van top tot teen. Verwonderd keek ik naar haar keurige veterschoenen met kleine gaatjes erin. Ze zat deftig in de stoel met haar voeten dicht bij elkaar en een zakdoekje in haar handen. Ik keek naar beneden en verborg snel mijn onderweg smoezelig geworden handen onhandig in mijn trui. Ze vertelde blij over het nieuwe klooster waar ze nu woonde en ze had dia’s meegenomen.
“We hebben op jullie gewacht, omdat we dachten dat jullie het ook leuk zouden vinden,” zei pake.
Ik had nog nooit eerder dia’s gezien, maar ik vond de grote foto’s op de muur imposant. De dia’s maakten een enorme indruk op me. Ze leken zo groot, het was net alsof ik erin kon stappen, vond ik.  Ik knabbelde aan de chips en we maakten ‘spoetnik’ met limonadegazeuse en suiker en koffiemelk.
Er kwam een dia op het scherm waar ik vreselijk van schrok. Ik zakte nog een stukje dieper weg in de enorme sofa. Ik werd overspoeld door een diep gevoel van blijdschap dat werd gevolgd door een golf van heimwee. Ik wilde huilen van blijdschap, maar ook van verdriet toen ik een prachtig wit gebouw op het enorme doek zag.  Een groot, wit gebouw met een groen gazon ervoor en prachtige bloemen in de tuin rondom.
De bank leek steeds groter te worden en mijn buik en benen voelden zwaar aan.
Waar ken ik dit van? Ik kende het en toch weer niet?
Ik begreep er helemaal niets van dat ik zo blij werd van dat witte gebouw met die prachtige tuin. Ook de lucht die zo strakblauw was, deed me de tranen in de ogen springen van herkenning.
“Ik ken dit, pake. Ik woonde daar vroeger. We hadden ook in zo’n tuin," hakkelde ik, verlegen omdat die tante erbij was.
“Dat kan niet, meisje,” zei opa, “want toen je nog geen meisje was, woonde je in je moeders buik.”
“Vóór die buik!” riep ik ongeduldig en vergat mijn verlegenheid voor de tante. De grote mensen moesten allemaal lachen.
Ik zuchtte: waarom begreep nooit iemand mij? Wijs geworden door het bekende onbegrip, hield ik mijn mond.

 

De pijnlijke herinnering 

Enkele dagen bleef ik in de roes van de tuin. Er zat een herinnering in mij die ik niet terug kon halen. De heimweegevoelens bleven, hoewel ik ook blij werd als ik dacht aan de tuin met het witte klooster.
Ik voelde me enigszins melancholiek. Dat was een gevoel dat ik nooit eerder gevoeld had.
Ik herinnerde me door de dia dat ik vroeger in een wit, groot huis met een tuin had gewoond. Het was een prachtige en zonnige omgeving geweest. Ik herinnerde me dat achter het witte huis een grote boom stond, met een bankje. Er woonden mensen in dat huis van wie ik hield. Waar was dat toch geweest? Het was niet het klooster van tante Zuster geweest, maar het beeld triggerde mij opnieuw naar iets wat ergens nog zo diep in mij leefde. Het was alsof ik er net niet bij kon.  Er kwam een diep gevoel van heimwee over me heen, waardoor ik niet kon slapen.

 

Er verandert iets
Er was iets 'raars' met mij aan de hand. Altijd was ik een vrolijk kind geweest dat grote plannen had. Ik wilde snel groot worden en ondertussen had ik veel pret. Ik genoot van mijn familie, vrienden, de bloemen, het strand en het bos dat vlakbij was.
Maar diep van binnen kreeg ik steeds meer last van heimwee naar mijn vrienden van vroeger; het voelde verscheurend. Het was een diepe eenzaamheid die ik ervoer. Ik begreep er zelf ook niets meer van en probeerde de draad op te pakken en door te gaan met alles wat ik altijd deed.

 

 

©2025 sylvialucia

 

Lees meer »

Hoofdstuk 2

 

Hoofdstuk 2

 

Verhuizen

Het was mistig die dag, met enigszins motregen.
Verveeld keek ik naar buiten om gelijk daarna starend in een bak te graaien waar mijn speelgoed in zat. Er stopte een grote verhuiswagen voor het raam en gelijk was ik wakker en liet alles vallen. Mijn broers renden voorbij.
"We mogen voorin de cabine van de vrachtwagen meerijden," riep mijn broer enthousiast tegen mijn andere broer.
"Ik ga ook mee," gilde ik.
"Nee, jij bent nog te klein. Je gaat met mij mee," zei mijn moeder.
Ik weet niet of ik de drukte rondom de verhuizing had gemist met mijn gedroom, mijn drukke sociale leven en met het gluren door het gaatje in de heg. Maar op die zaterdagochtend ging ik met mijn moeder mee naar de andere kant van het dorp. Ze gaf me een klein tasje mee met wat speelgoed erin. Het was geloof ik de bedoeling dat ik op die manier voelde dat ik meehielp verhuizen, maar ik vond het allemaal maar knullig. Het harde tasje van raffia klapte bij iedere stap tegen mijn benen. Er zat amper iets in en ik begreep heus wel dat dat geen zoden aan de dijk zette, want de verhuiswagen was afgeladen geweest. Ik vond het zo raar dat iedereen dacht dat ik zoiets niet in de gaten had. 
"Alsof ik niet snap dat ik veel meer spullen heb dan er in dat tasje passen," merkte ik narrig met gedachtenkracht op tegen de man met de witte sik achter mij. Ik praatte wat af, zo in mijzelf, maar ook met mijn 'onzichtbare vriendjes'.
"Loop niet steeds achterstevoren," riep mijn moeder, mij half meetrekkend.
De man glimlachte. In tegenstelling tot mijn moeder vond hij mijn opstandige karaktertrekjes nogal vermakelijk.
"Wist u-jij dat?" vroeg ik hem.
"Ja, natuurlijk."
"Waarom had u-jij dat niet even kunnen zeggen dan?"
"Alsof je luistert," plaagde hij me glimlachend.
Ik zei regelmatig afwisselend 'u' en 'jij' tegen de man met de witte sik. Ik was zo opgevoed dat ik 'u' hoorde te zeggen en ik wist in feite niet hoe ik deze man moest noemen.
Op veel te korte beentjes probeerde ik de grote voetstappen naast mij te volgen. We gingen in een ander huis wonen en ik vond dat nogal plotseling. Koortsachtig liep ik me af te vragen waar ik de clou gemist had, want iedereen scheen het te weten, behalve ik.
Mijn moeder trok me mee, omdat ik weer ging slenteren.
Het huis rook vreemd nieuw. Er was geen heg en geen pleintje; er was tegenover ons huis alleen een kerkhof met saaie, grijze kleuren waar ik somber van werd.
Ik keek argwanend rond, met mijn benen vooruitgestoken. Ik klemde het tasje vast in mijn armen en zuchtte diep. Er stonden enkele stoelen in de kamer en ik ging op de middelste zitten. Beduusd keek ik naar het gloednieuwe behang waarvan de lijm amper droog was.
"Je krijgt een eigen kamertje," probeerde mijn moeder me op te vrolijken.
Ik begreep haar goedbedoelde pogingen, maar als enig meisje had ik al een eigen kamertje. Ik knorde boos in mijzelf, want het leek me een saaie boel. Het was er vreemd stil in de straat.
Met een sip gezicht trok ik het tasje op schoot. Ik vond het saai. We hadden midden in het dorp gewoond, maar nu miste ik de slager, mijn grootouders en de drukte van de winkels. 
De eerste avond was het ergst, een nieuw groot bed en nieuw behang en het rook er zo vreemd.

 

Jarig

Het eerste voorjaar in het nieuwe huis had ik de gedachte opgevat dat iedereen blij en enthousiast was, vanwege het heugelijke feit dat ik bijna jarig was. Het duurde niet lang meer voordat het drie mei was en ik vier jaar werd.
Op dertig april hingen alle vlaggen uit. Van het feit dat koningin Juliana die dag jarig was en er Koninginnedag gevierd werd, had ik nog geen benul. Nee, die vlaggen hingen daar voor mij! Omdat iedereen net zo blij was als ik.
De verjaardag was een droom met veel cadeautjes, zoals een bellenblaas-set en een springtouw. De dag erop wilde ik met iedereen delen dat ik zoveel cadeautjes had gekregen. De vlaggen hingen alweer uit. Wel halfstok, maar dat viel me niet op, want vlaggen waren vlaggen.
Er was bijna geen mens op straat en het dorp leek uitgestorven. Ik zette mijn feestpuntmuts weer op en deed een slinger om mijn nek. Tot ik een oude man tegenkwam. Hij leunde op een wandelstok en zei hoofdschuddend: "Meisje, dat kan niet vandaag, het is geen feest, maar een droevige, trieste dag."
Ik liet mijn hoofd zakken en paste me aan bij de trieste blikken van de man en het droevige, stille dorp. Ik zette mijn feestmuts af, waarbij het elastiekje met een pijnlijk knalletje tegen mijn neus klapte. Thuisgekomen ging ik tegen de buitenmuur, naast mijn oudste broer, zitten. "Is mijn verjaardag nu voorbij?" vroeg ik teleurgesteld.
"Ja, gisteren al," antwoordde hij.
De kerkklok beierde, terwijl ik het verdriet in stilte verwerkte. In het dorp heerste een weemoedige stilte.
“Waarom is iedereen zo verdrietig?” vroeg ik mijn broer, “want ze mogen allemaal wel met me spelen. Ik heb heel veel speelgoed nu.”
“Misschien zijn ze een beetje jaloers. Morgen is iedereen weer blij, let maar op,” troostte hij me.
Toen ik de volgende dag, op Bevrijdingsdag, vijf mei, naar buiten keek, hingen er allemaal vlaggen en het muziekkorps kwam zelfs voorbij. Iedereen was vrolijk. Mijn broer had gelijk gehad.

 

Madeliefjes

Voor ons huis liep een weg, achter die weg waren bomen en achter die bomen was het kerkhof. De wereld was me veel te klein en ik onderzocht alle nieuwe dingen in mijn omgeving.
In die zomer ging ik op blote voeten en in een jurkje, langs de garage van de overburen, naar het kerkhof. Daar kroop ik door een gat in het prikkeldraad en wurmde ik me door de heg die erachter lag. Ik was kennelijk altijd nieuwsgierig naar wat er achter een heg te beleven was.
Ik was nog nooit op het kerkhof geweest en bekeek vanaf een zwart grindpad de kleurloze, grijze en zwarte stenen. Ik vond het een soort zwart-witwereld.
Ik bedacht me dat ik het hier maar wat moest opvrolijken. Ik plukte madeliefjes die tussen de bomen langs het pad groeiden en ik praatte tegen de grafstenen. Ik klopte erop en ik vroeg of er iemand thuis was. Er was een grijze steen met een getralied hekje. Achteraf waren het mijn eigen overgrootouders van moeders kant, maar ik werd bang van het hekje en ik liep er met een grote boog omheen. Ik had een boek met tekeningen van het verhaal van Hans en Grietje, waar Hans zijn vinger uitstak door de tralies van net zo'n hekje.
Plotseling voelde ik dat ik niet alleen was en ik dacht meteen aan oom Jan. Mijn vader had eens verteld over zijn broer, die overleden was op zijn negentiende.
Mijn bloemetjes had ik op het gras gelegd en terwijl ik buikdanste met wijd open armen op de plaats waar nog geen grafstenen waren, riep ik naar boven: "Ome Jan, komt u hier ook wel eens?"
Ik schrok niet eens toen ik dat enorme warme gevoel door mijn lijfje voelde stromen, een gevoel van intense liefde. Het was alsof de lucht openbrak met zonlicht. En ik hoorde oom Jan, net als de man met de sik, met gedachtekracht zeggen: "Pluk je bloempjes voor me?"
"Ja, natuurlijk doe ik dat," riep ik vrolijk.
Ik wilde zijn grafsteen opzoeken, maar ik moest even diep nadenken, want ik kon tenslotte niet lezen. Ooit had ik kunnen lezen, wist ik me te herinneren, maar wanneer en waar was dat toch ook alweer? Nu wist ik niet waar ik de madeliefjes neer moest zetten.
Op korte beentjes en met snelle stapjes haastte ik me naar huis terug en haalde ik alle plastic bekertjes uit de kast waar moeder de limonade altijd in schonk. Rode, groene, blauwe, witte... Ik zette ze vol madeliefjes en ik goot er water in uit mijn gietertje. Het water klotste er aan alle kanten uit, bij elke stap die ik deed.
Met ondertussen een druipnatte jurk riep ik: "Ome Jan, nu moet u zeggen waar u woont en opa ook, want ik kan niet meer lezen."
Oom Jan moest lachen en zei: "Ik vertel je waar."
Dus liep ik tussen de grafstenen door en daar waar mijn hartje heel warm werd en het licht heel licht werd, zette ik mijn bekertje met madeliefjes neer.
Ik hoorde mijn naam roepen... Er werd naar mij gezocht en niemand wist waar ik zat, dus kroop ik weer terug door mijn pas ontdekte opening, waar natuurlijk mijn jurkje weer lastig bleef hangen, zodat ik het eerst even los moest rukken. Blij riep ik dat ik ome Jan en opa bloemetjes had gebracht. Samen met mijn vader ging ik terug naar het kerkhof, door het kapotte prikkeldraad. Tot zijn grote verbazing stonden mijn bekertjes met madeliefjes op de juiste grafstenen van ome Jan en mijn opa, die ik beide nooit had gekend.

 

Kleuterschool

Al een tijdje ging ik nu naar de school. Eerst naar de kleuterschool en daarna naar de rooms-katholieke lagere school in het dorp. De kleuterschool lag naast de lagere school en werd gescheiden door een fietsenhok en het kerkpad.
Mijn broer trok aan mijn arm en riep dat ik op moest schieten. Het was de bedoeling dat hij mij meenam naar de kleuterschool. Het was knikkertijd en hij had een zak vol glinsterende glazen knikkers mee, maar ook van die ouderwetse kleiknikkertjes die ik het allermooiste vond. Hij was me duidelijk liever kwijt dan rijk, toen hij een vriendje tegenkwam dat al van verre riep of hij wilde knikkeren. Ik vond het best.
Mijn vader had de zondag daarvoor met mijn oudste broer en mij een wandeling langs de kleuterschool gemaakt en me erop voorbereid dat ik de volgende dag naar school moest. We hadden door de ramen gekeken. Het was zoals gewoonlijk weer een onverwachte verrassing, want ik had me nooit beziggehouden met het feit dat ik op een dag naar school moest en ik had niet veel zin om mijn vrijheid op te geven.
Ik had er weinig moeite mee gehad me te vermaken. Uren kon ik met een lucifersdoosje onder de heg naar lieveheersbeestjes zoeken en wat een werk had ik altijd gehad om te kijken hoe oud ze waren, want dan telde ik de stipjes op de vleugeltjes.
Mijn moeder had instructies meegegeven. We hadden geen juffen, maar nonnen, die je aansprak met: "Zuster.” Je moest je vinger opsteken als je iets wilde vragen of wanneer je naar de wc moest.
Vol zelfvertrouwen klampte ik de eerste de beste non vast aan haar habijt. Ze nam me onder haar hoede, omdat ik alleen gekomen was. De zuster vertelde me dat ik speciale slofjes moest dragen, omdat je heel stilletjes moest zijn op school. Een ramp leek me dat en ik vroeg me benauwd af of ik dat wel volhield.
We kregen in de pauze een halve appel en een halve Liga-koek. De appel hoefde ik niet, maar met het zakelijke bloed in de aderen, een erfenis van het DNA van mijn grootvader, maakte ik iedere dag een nieuwe deal en ruilde ik mijn halve appel voor een halve Liga-koek.
's Avonds ging ik regelmatig nog even met mijn vader mee naar kantoor. In een prullenbak vond ik langwerpige bruine doosjes die op repen chocolade leken. Ik kon niet lezen, maar mijn vader las het etiket voor waarop stond dat er potloodvullingen in zaten. Mijn brein werkte altijd. Als ik nog niet kon lezen, dan konden ook de andere kinderen van de kleuterschool dat nog niet. Ik propte mijn zakken vol met de inmiddels lege potloodvullingdoosjes.
De volgende dag op school verkocht ik de 'repen chocolade' voor halve Liga-koeken aan de nietsvermoedende medekleuters. Daar werd ik voor het eerst geconfronteerd met het feit dat niet iedereen mijn humor begreep, want enkele werden kwaad.
Snel liep ik met mijn buit in mijn jaszak naar de zandbank, waar ik probeerde de boosheid van de andere kleuters te begrijpen. Ik staarde voor me uit en mijn hart klopte wild.
Ik voelde heimwee naar die andere wereld, waar ik gewoond had. Daar waren ze nooit kwaad op me. Daar was het een heerlijke, rustgevende samenkomst en hadden we plezier gehad, herinnerde ik me vaag. De groep die ik nog vaag voelde, bestond uit jonge mannen en vrouwen. We hadden daar allemaal dezelfde leeftijd. Jong, maar niet heel jong. We waren volwassen geweest. Ze waren mijn beste vrienden, waarvan ik een zeer bijzonder maatje had gehad. Ik kon de beelden niet goed meer pakken; ik herinnerde me alleen dat we bij een bankje stonden te lachen. Ik herkende ze, maar wist niet meer goed wie ze waren.
Terwijl ik harkte in de zandbak voelde ik weer de warmte en blijheid in mijn hart opkomen. Hetzelfde gevoel als wanneer de man met de baard bij me was. Ik voelde hem vlak voor me staan toen ik op de stenen rand van de zandbak zat.
De zandbak was mijn lievelingsplekje. Steevast trok ik daar mijn sokken en schoenen uit om met mijn voeten door het door de zon verwarmde zand te glijden. Daarna zeefde ik emmers vol met heel zacht wit zand.

 

Heimwee

Ik zei hardop dat het net zo warm en zacht was als het 'daar' was geweest. Verbaasd vroeg een medekleuter, die achter me aan gelopen was en op de rand zat, waar 'daar' dan was.
"Daar, waar ik groot was, en waar het lekker licht en warm was. Het was in een ander land, waar mijn vriendje ook woonde," vertelde ik.
Ik was de andere kleuter alweer vergeten, want een bittere droefheid overviel me. Ik had zo’n heimwee. Een dikke brok brandde me in mijn keel bij de herinnering. Zolang ik maar niet aan 'toen' dacht, ging alles goed, maar als ik even in mijn herinneringen schoot, vlogen mijn emoties als een weerglas heen en weer.
De andere kleuter sloeg me ietwat verbaasd gade, toen ze zag dat ik tranen in mijn ogen kreeg.
"Woont je vriendje daar nog?" vroeg ze belangstellend.
Ik keek haar onwetend aan. begreep ze het dan niet?
"Dat weet ik eigenlijk niet," zei ik droevig. "Ik kan hem nergens vinden, maar als ik groot ben, dan ga ik hem zoeken," vertelde ik, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
"Is hij je neefje?" vroeg de andere kleuter nieuwsgierig.
We waren in een geanimeerd gesprek en mijn gesprekspartner vond het kennelijk niet eens zo heel erg raar.
"Nou," zei ik bedachtzaam nadenkend, "het is eigenlijk mijn tweelingbroertje, maar we hebben niet dezelfde moeder. Het is ook mijn neefje en het is ook mijn vriend, maar ik geloof niet dat het familie is."
Ik staarde peinzend over mijn emmertje.
Toen werd het ook haar te bont. Ze vertrok met haar emmertje en keek nog eens bevreemd achterom.
Ik zeefde driftig verder, want ik wilde met mijn blote voeten voelen en in mijn heerlijke herinneringen wegzakken. Tegenover mij stond de man met de witte sik. Zijn blik was vol mededogen en verdrietig keek ik naar hem op. Ik miste mijn vrienden zo erg.
Hij streek liefdevol over mijn haren. Ik schrok wakker toen de schoolbel rinkelde.

 

Vorige levens

Het werd december en Sinterklaas zou langskomen. Een lange rij kinderen stond op het pad voor het fietsenhok te zingen tot de goede Sint zou komen. Wanneer ik te lang moest wachten, zakte ik altijd weg in een soort trance. Het was een rustig en kalm afwachten, zonder over iets na te denken. Dan gebeurde het meestal dat er beelden op mijn netvlies verschenen als levensechte filmpjes in kleur.
Eigenlijk werd dat steeds erger in die tijd, maar ik wist niet dat die filmpjes mijn eigen herinneringen waren uit een vorig leven.
Een donker geschminkte piet kwam met grote witte ogen op mij toelopen en een 'alarmbel' ging af in mijn hoofd. Ik 'hoorde' tromgeroffel en stampende voeten en ik zag beelden van dreigende mannen met beschilderde lichamen. Ze hadden witte strepen onder hun ogen en van die vreemde kwasten onder hun knieën. Ze kwamen stampvoetend dichterbij. Te bang om te gillen, stond ik met mijn ogen wagenwijd open de piet aan te kijken, die me nietsvermoedend een handje pepernoten wilde geven.
Als aan de grond genageld hoorde ik steeds harder die voeten, met de zwierende kwasten, stampen op de zanderige grond, en ik voelde mijn handen bijeengebonden achter mijn rug. Ze zongen een soort monotoon, dreunend gezang dat aanzwol en steeds harder, steeds harder werd. Met een gil werd ik 'wakker' uit mijn 'trance' toen de piet mijn schouder vastpakte. Mijn rauwe kreet deed enkele moeders op mij toe rennen die me probeerden te kalmeren.
Toen ik eindelijk iets rustiger werd, zag ik de man met de baard staan en spontaan begon ik opnieuw te snikken. Met een troostende blik zei hij met gedachtenkracht dat ik nu niet bang hoefde te zijn. Ik was geschrokken van een herinnering. Een herinnering aan vroeger, toen ik een ander leven had dat ik nu een beetje was vergeten, maar dat heel diep van binnen nog bewaard gebleven was.
Ik begreep meteen wat hij bedoelde. Op een of andere manier was er altijd een “weten” geweest. Een waarheid die ik nog ergens van kende. Ik wist toen al, zonder er ooit over te hebben nagedacht, dat het leven dat ik nu had, er een van de vele was.
De tijd van herinneringen bleek aangebroken. Ik besloot dat ik het maar liever niemand vertelde, want de man had me verteld dat mensen het vaak niet begrepen. Ik was nog te klein om alles uit te moeten leggen aan grote mensen.
Elke avond werd een nachtmerrie. Ik werd bang, vooral voor de beelden waarbij ik steeds van een paard viel. De beelden kwamen in kleur als ik in bed lag. Of ik mijn ogen open of dicht had, maakte niet uit, want de beelden bleven doorgaan als ik tot rust kwam.
Niet alleen zag ik de beelden, maar wanneer ik bijna in slaap was, voelde ik me letterlijk door een groot gat meters naar beneden vallen, met paard en al. Daarna liep ik gewoon door, alsof er niks gebeurd was. Soms viel ik wel vier of vijf keer per avond en viel daarna in slaap.
Ik vroeg de man met de baard waarom ik steeds van het paard viel.
Hij vertelde me opnieuw dat het plaatjes waren van een ander leven waar ik al eerder was geweest. Het waren herinneringen die in je ziel bewaard bleven, wanneer je iets nog niet goed had verwerkt. 
Echt vreemd vond ik dat niet. Ik liet alles zonder nadenken over me heen komen. Hij vertelde dat ik samen met een vriend rentmeester was geweest in Engeland.
"Rentmeesters moesten voor de kasteelheer geld ophalen bij de boeren," legde hij geduldig uit. "De boeren rondom het kasteel zagen de kasteelheer bijna nooit, maar wel de rentmeesters, en de haat laaide op bij mensen van het dorp en bij de boeren. Jullie waren met vier rentmeesters. Twee waren afgeslagen naar het dorp en jullie waren op weg naar de boeren, maar werden door de mensen van het dorp gedood," vertelde de man met de baard. "Je herbeleeft je eigen dood van toen. Omdat je het nog steeds niet goed hebt verwerkt, komt dat later."

 

Uit mijn lichaam

Hoewel het allemaal ver weg was van de tijd met de plaatjesboeken, vond ik het vreemd genoeg een redelijke verklaring voor mijn beelden. Ik begreep het, zoals ik in die tijd alles begreep. Tenslotte was de man met de baard een soort vader voor me. Ik was als een kuikentje dat uit het ei gekropen was. Hij was de eerste die ik had gezien. Daarom stond het dichtst bij me, dichter dan mijn aardse ouders. Hij voedde me geestelijk op, waar mijn ouders de lichamelijke taak op zich hadden genomen.
Ik besefte ook dat ik met niemand uit mijn aardse omgeving hierover zou kunnen praten. Ze zouden het niet begrijpen en me van psycholoog tot psycholoog slepen en daarmee ook een proces verstoren dat door ‘boven’ was opgestart.
Er ontstond een gevoel van 'wakker worden.'
Er kwam langzaam een besef dat niet iedereen dit soort beelden had. Voor het eerst sloop er een soort eenzaamheid in mij, want hoe verhield ik me in twee werelden?
Van een zesjarig, zelfverzekerd, blij kind begon er een proces waarin ik langzaam veranderde in een verward, onzeker meisje. Dat laatste had meer te maken met mijn sociale omgeving, nadat ik woorden opving die niet voor mijn oren bedoeld waren. Ik ving per ongeluk op dat ze me een ‘vreemd kind’ vonden. Hoewel ik voelde dat men dat niet gemeen bedoeld had, raakt het me diep.
Vergevingsgezind ben ik altijd geweest. In de kerk bad ik voor hen, hoewel ik er niet graag kwam: 'God, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen.'
Ik begreep alleen niet goed wat ik fout deed in hun ogen, want ik deed aan alles mee in het dorp. Een vriendinnetje nam de moeite om me uit te leggen op onze eigen kinderlijke manier: 'Je zegt soms rare dingen en je doet soms wat vreemd.'
"Oh," zei ik, niet begrijpend.
Terwijl ik worstelde om geen ‘rare dingen’ meer te zeggen, werd ik een stil meisje met vlechten. Voor de buitenwereld werd ik een heel bang, verlegen meisje dat geen woord meer zei. Ondertussen gingen mijn andere ontwikkelingen door. Zo kwamen er plotseling avonden dat ik een gewichtloos 'balletje' werd. Ik had het gevoel dat alles begon te draaien en ik zakte als 'balletje' met een zwaar gevoel richting mijn navel. Tegenhouden lukte niet en zeer bewust van wat er gebeurde, gleed ik naar beneden en ging ergens bij mijn navel uit mijn lichaam. Ik kon dan zweven door mijn kamertje. Ook nu weer ontstond een gewenning, en al snel vond ik het heel normaal en accepteerde ik het. Ooit probeerde ik naar het raam te zweven en ik schrok verschrikkelijk toen ik er gewoon dwars doorheen ging.
's Morgens werd ik weer gewoon wakker, omdat ik kennelijk toch in slaap viel tijdens mijn drukke nachtelijke bezigheden. Als ik een balletje werd en ik ging uit mijn buik, dan zag ik mijn begeleider met de baard het duidelijkst.

 

Zijn naam op de muur

Ik was inmiddels zes jaar en had enige letters op school geleerd. Sindsdien probeerde de man me zijn naam te laten zien in blokletters op de muur. Helaas was het iets te vroeg, hoewel ik al wist dat een a een rondje met een stokje was en een b een stokje met een rondje.
Ik luisterde vooral naar de klanken als hij zijn naam hardop uitsprak, maar dat was juist het verwarrende, want de man was een Engelse natuurkundige geweest. Niet dat zijn beroep me zo interesseerde, maar het feit dat hij zijn naam in het Engels uitsprak, vond ik wel een dingetje.
Hij liet me zijn naam zien in zwarte blokletters: Oliver J. Lodge. Wanneer hij dat op zijn Engels uitsprak, hoorde ik de -lodge-klank. Hardop herhaalde ik dit, in mijn eigen taal; zzz.
Hij verbeterde mij niet, vanwege de enorme concentratie die ik nodig had om met mijn geestkracht in de trance te kunnen blijven, zodat de letters niet verdwenen. Zodra iets mijn concentratie zou verbreken, kon ik het beeld niet vasthouden.
Rustig herhaalde hij zijn naam. Nu pakte ik de klank van zijn tussenletter: J. Ik herhaalde het opnieuw en zei hardop: Dzjie.
Door de intense concentratie raakte ik vermoeid. Snel ging ik terug naar de voorste naam, want ik had de sterkste klanken eerst opgepakt. De letters werden steeds doorzichtiger en leken op te gaan lossen.
Ik zag een o en een l. Haastig vertaalde ik dat in een a, want een a was immers een rondje met een stokje.
“Vergeet je de achternaam niet? Misschien is dat later wel belangrijker dan de voornaam,” merkte de man rustig op.
Paniekerig ging ik terug naar de achternaam. Daar las ik een stokje, de l, en een rondje, de o. Die kende ik al, want dat was een b.
“De tijd is bijna om, want ook ik kan mijn concentratie niet langer vasthouden,” gaf de man toe. “Ik kan je mijn naam niet meer lang laten zien. Probeer nog maar wat letters mee te pakken.”
Snel gleed ik langs de namen. Haastig merkte ik op dat ik dat stokje ook in mijn eigen naam had, maar dan had het een andere betekenis. Ook de a en de kende ik uit mijn eigen naam. Het verwarde me zo en ik werd zo moe. Ik plakte lukraak alles maar aan elkaar, tenslotte was ik ook nog maar zes jaar oud en een kind dat nog niet kon lezen.
“Djie-zzzai-bel?” sprak ik haperend en aarzelend, hoewel ik dat zelf een zeer eigenaardige naam vond en me wel besefte dat ik het niet goed had.
Hij schudde zijn hoofd.
“Jezaibel?” probeerde ik nog een keer.
Hij schudde opnieuw zijn hoofd.
“Nee, het is niet helemaal goed, maar je hebt wel je best gedaan. Noem mij maar gewoon zo,” zei hij.
“Moet ik niet uw echte naam onthouden?” vroeg ik onzeker.
“Dat komt nog wel als je later groot bent,” zei hij, “voor nu noem je me maar gewoon Jezaibel.”
“Blijft u later als ik groot ben dan ook bij mij?” vroeg ik verheugd.
“Als we klaar zijn, ga ik weer weg. Maar ik zal je, als je groter bent, een stukje van de hemel laten zien. Voordat ik naar de hemel ging, heb ik beloofd dat ik zou proberen om op aarde te laten weten dat er een hemel is, maar tot nu toe is me dat niet gelukt. We hebben afgesproken dat jij dat gaat doen, terwijl je hier bent.”
“Was dat bij het bankje?” vroeg ik op een kinderlijke manier, want ik was uiteindelijk een kind.
Hij glimlachte weer.
Ik werd zo gelukkig wanneer hij naar me glimlachte. Ik was zoveel liever bij hem, want dan voelde ik me dichter bij ‘thuis’.
Jezaibel trok weer mijn aandacht.
“Ik ga mijn verhalen vertellen via jou. Ik zal je meenemen en het gedeelte van de hemel laten zien waar ik nu ben. Daarover ga jij vertellen, zo hebben we dat toen afgesproken.”
Verbaasd keek ik hem aan, want ik kon me dat helemaal niet herinneren.
“Waarom ik?” vroeg ik en aarzelend voegde ik toe: “ik kan nog niet goed lezen.”
Hij glimlachte opnieuw.
“Omdat je mijn dochter was,” zei hij.
Ik vatte het niet meer.
“Ik heb hier al een vader,” merkte ik op.
“Dat klopt, je hebt nu een andere vader die op je past, want ik woon nu hier. Vroeger, toen ik nog in Engeland woonde, was je mijn dochter Lily.”
“Silly Lilly,” giechelde ik, want dat had iemand me een keer genoemd en het bleek grappig te zijn.
“Kunnen we dat een beetje snel doen?” vroeg ik praktisch, “want ik wil later denk ik ook wel eens leuke dingen doen.”
“Dat begrijp ik,” zei hij, “maar dat is niet waar ik me zorgen over maak. Ik maak me zorgen of je alles aankan: het onbegrip van de mensen, de gemene opmerkingen.”
“Zou het klaar zijn als ik al veertig jaar ben? Dan ben ik al heel oud,” vroeg ik voorzichtig, aftastend, alsof het een werkje voor school was dat ik op tijd af moest hebben.
“Ik denk dat dat te snel is,” zei hij met een vertrokken gezicht, alsof hij allang wist wat voor moeilijkheden ik in het leven nog tegen zou komen.
“Vijftig?” riep ik, alsof ik op de markt stond mijn waren te verkopen.
Hij schudde met zijn hoofd.
Bedroefd liet ik mijn schouders zakken.
“Het gaat erg moeilijk worden,” gaf hij zachtjes toe. “Daarmee bedoel ik niet alleen onze afspraak, maar ook je eigen leven. Je zult van alles tegenkomen, waarbij je jezelf zult verliezen. Dat hoort zo, want dat zijn leerprocessen. Je moet iedere keer, wanneer dat gebeurt, proberen om opnieuw terug te komen in jezelf. Wanneer jij jezelf verliest, verlies je ook het contact met mij.”
Ik begreep niet wat hij bedoelde.
“Jeetje,” zei ik daarom maar.


Note:
Nu weet ik inmiddels wat hij bedoelde. Mijn belofte werd wreed verstoord door een flinke burn-out, na het uitgeven van mijn boeken. Gelukkig kon ik mezelf dragen met mijn humor. Hoewel ik door de wetenschappelijke insteek van Oliver J. Lodge mijn uittredingen met kwantumfysica probeer te verklaren, werd ik na mijn belofte overspoeld door datgene waar Jezaibel tijdens mijn jeugd al bang voor was geweest; men wilde uitleg, wetenschappelijke bewijzen en oeverloze discussies.

Het voelde alsof ik voor de leeuwen werd gegooid om bewijsmateriaal te leveren. Men wilde aardse bewijzen. Uiteindelijk heeft de zoon van Oliver J. Lodge, Raymond Lodge, me daarbij geholpen. Daarover vertel ik later.
In ieder geval was ik niet voorbereid, klaar of gewapend tegen alles wat ik tegenkwam. Dat was ook de reden dat ik mijn boeken terugtrok uit de handel. Ik moest mezelf redden uit de poel van verderf waarin ik terecht was gekomen. Uiteindelijk, als ik mezelf kwijtraakte, raakte ik ook het contact met Oliver J. Lodge kwijt. Wat ook gebeurde.


Enkele redenen waarom ik mijn boeken terugtrok uit de handel:

1. Er waren mensen die dachten dat ik een glazen bol had. Ik kreeg vragen over huizenverkoop, scheidingen en mensen die mij mee wilden nemen in hun spirituele geloven.
2.Er waren wetenschappers die me wilden testen. Ik zou in een andere kamer moeten gaan zitten, terwijl ik moest proberen te lezen wat er op een briefje stond.
3.De First World War Association, opgericht door Sir Oliver J. Lodge, haalde zijn schouders op; ‘Daar heb je er weer zo één.’
4.Parapsychologen keken me minachtend aan:
“Denk je nu echt dat Sir Oliver J. Lodge een dorpsmeisje uit Friesland uitkiest om zijn belangrijke boodschap door te geven?”
Ze lachten honend.
5.Wat heb je een kinderachtige manier van schrijven.
6. Je bent van de duivel. Je bent niet welkom in onze kerk. (Tijdens een doopfeest)
7. Je hebt de naam waarschijnlijk niet goed gehoord, want je hebt te maken met iets duisters. Je bedoelt waarschijnlijk de naam: Jezebel. Hij was een slecht persoon.
8. Ik wil met je praten, want ik heb een kwestie die alleen jij op kan lossen.
9. Als je dit soort boeken schrijft, ben je ook verplicht om met ons in discussie te gaan.

 

©2025 sylvialucia

Lees meer »

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

 

Het leek wel of het nooit meer zou stoppen met regenen. De lucht was grijs dichtgetrokken en een eenzame fietser waagde zich door de striemende regen over de zeedijk. De golven werden door de harde wind over de pier geslagen en spatten in honderdduizend kleine waterspetters uiteen.
Peinzend stond een boer voor zijn raam zijn pijp te stoppen, terwijl zijn ogen de omgeving afzochten naar zijn koeien die beschutting hadden gezocht onder de hoge bomen van de bosrand. Als het niet zo hard zou regenen, kon hij tot het dorp kijken, maar vandaag niet.
Vandaag was de wereld klein en grijs. De boerenknecht kwam zwoegend voorbij het raam, zwaar trekkend aan de kar met melkbussen. Het kabaal van de denderende melkbussen over de kinderkopjes hoorde je niet met deze harde wind.
De kerktoren in de verte was deze dag niet te onderscheiden vanwege de donkere, angstaanjagende lucht. Het leek alsof door de striemende regen het dorp met gemak van de aarde zou kunnen worden weggeveegd. Het Gaasterlandse dorp met de kerktoren in het midden en de gezellige huisjes eromheen, leek in dit natuurgeweld niets meer te zijn dan nietige bordkartonnen poppenhuisjes.
Terwijl de buurvrouw haar pruttelkoffie opgoot en haar was op rekjes te drogen hing voor de net nog eens opgeporde kolenkachel en de slager aan de overkant zijn vlees bewerkte met klappende geluiden, werd ik geboren in het huis aan het pleintje. Op een vrijdagmorgen in een typisch Fries dorp, zoals er zoveel in Friesland zijn.
De regen sloeg met felle windvlagen tegen de ramen, terwijl ik heerlijk werd ingepakt in flanellen doeken en de geur van koffie zich door het huis verspreidde. De pendule op de schoorsteenmantel tikte door, alsof er niets was gebeurd.
Het schijnt dat ik een rode vlek op mijn hoofd had die na een dag een enorme bult werd die na drie jaar pas wegtrok. Sommige mensen worden met de helm op geboren, maar ik met een eierdop.

Het pleintje

Vanwege de nieuwsgierige blikken kreeg ik buiten op straat een mutsje op. Tegenover het huis was een pleintje met daaraan het huis van de slager, het kleine huisje van mijn beppe van vaderskant en de afslag rechtsaf was de garage van mijn andere pake en beppe.
Het huisje van beppe aan het pleintje was een gezellig, knus huisje met oude bedsteden. Je rook de geur van het oude petroleumstel als je binnenkwam. 
In de diepe kelder hingen droge worsten. Naast ons was een timmerbedrijf waar constant geluiden te horen waren van zagen en kloppende hamers.
Achterhuis was weiland dat bij de boerderij verderop hoorde. Het was stil in het dorp, want auto's had je nog niet veel. Mijn eerste herinneringen dateren uit die tijd.
Ik weet nog steeds dat ik boven in een wiegje lag met witte lakentjes en met wit kant, en dat ik die man naast mijn wieg voelde staan. Het was een man met witte, uitwaaiende kleren aan en hij had een baardje. We spraken via gedachtenkracht en ik vond het niet eens vreemd. 
Ik was geen baby, ik dacht als 'ziel'. Wanhopig probeerde ik me in dat kleine lijfje te herinneren waar ik hiervoor toch ook alweer woonde. Ik was ergens geweest, maar ik wist niet meer precies hoe het zat. Mijn geheugen leek gewist.
"Laat het gaan," zei de man. "De wet geldt dat je herinneringen vervagen en dat je opnieuw begint."
Ik begreep alles wat hij zei. 
Vaag wist ik dat waar ik vandaan kwam en dat het erg prettig was geweest en dat ik zeker geen zin had om 'weer opnieuw te moeten beginnen'.
Er was geen weg terug. Ik had me ergens anders laten overhalen om naar hier te komen, maar ik had meteen al spijt. 
Ik was me ervan bewust dat ik in een lichaam woonde, maar wist ook dat ik geen onwetende baby was. Ik 'wist' dat ik hiervoor ergens geweest was waar ik me thuis voelde. 
Ik zei tegen mijn begeleider dat ik vond dat ik nu lang genoeg wakker was. En omdat ik mijn moeder naar boven hoorde komen, bedacht ik me dat ik wel kon beginnen met huilen. Dat was de enige manier om kenbaar te maken dat ik het wel gehad had.
De begeleider glimlachte en ik voelde zijn liefde, maar ook zijn plezier toen hij zei: "Je bent nog steeds een opgewonden standje. Je bent nog niets veranderd."
Ik bleef bij mijn besluit en gaf een huilserenade. Maar er gebeurde niets; mijn moeder liep door.
Even hield ik me stil om te luisteren naar wat de voetstappen deden. Maar nee, ze kwamen niet in mijn richting.
Ik wilde over de rand kijken van het wiegje, maar ik kreeg mijn hoofd  niet omhoog. Het voelde als een enorme beperking en ik werd er geïrriteerd en wanhopig van. Ik raakte zelfs in paniek, omdat ik vastzat in dat lijfje. Opnieuw begon ik een huilsessie, maar weer gebeurde er niks.
"Je zit niet vast," zei de man, "je kunt er gewoon uit gaan. Je zit vast aan een koord, maar dat is rekbaar."
Ik besloot het te proberen en ik bleek eruit te kunnen. Ik kon gaan en staan waar ik wilde en er was nog steeds een verbintenis met mijn kleine lichaam.
Door de muur zag ik mijn moeder lopen over de overloop met een lichtblauwe wasmand. Maar dat was niet het enige; ik kon zelfs haar gedachten opvangen.
Ik hoorde haar denken: "Maar even wachten, het is nog geen tijd. Eerst ga ik de was opruimen.”
Mijn poging was mislukt; ik voelde zelfs een zekere teleurstelling. Ik ging terug in het lijfje.
Mijn begeleider glimlachte weer.
"Ze trapte er niet in, hè?" vroeg hij lachend.
Gepikeerd keek ik in zijn richting, maar ik ging meteen mijn kleine lijfje weer uit om door het raam van de slaapkamer buiten te kijken. Een vreemd besef overviel me.
Mensen die op de aarde woonden, dachten kennelijk dat een baby 'niets wist'. Ik wist dat ik mijn geheugen kwijt was en dat ik, voordat ik opgesloten zat in een te klein lichaam, gewoon groot was geweest. Er was op een of andere manier een knopje omgedraaid
in mijn hoofd, waardoor ik nu ineens alles vergeten was.

 

Gevoeligheid

Toen ik iets ouder was, trok ik mijn broer aan zijn haren door de spijlen van de box, omdat ik er niet alleen in wilde zitten. Mijn drie jaar oudere broer huilde hard en ik voelde zijn teleurstelling. Hij bedoelde het tenslotte zo goed. 
Spijt had ik altijd als ik zoiets had gedaan, maar ik vergat het dan ook weer snel, omdat er altijd weer iets nieuws te ontdekken was.
Deze manier van voelen wat een ander dacht, bleef ook toen ik ouder was. Ik voelde het niet altijd, maar wel heel vaak. Het was het opvangen van de gedachten van een ander, maar dan moesten ze wel mijn kant 'opwaaien' en mijn 'pluutje' moest openstaan. 
Het stond niet altijd open. Op momenten dat ik verdrietig en boos was, klapte mijn pluutje in elkaar.
Maar ook de pluutjes van andere mensen waren vaak ingeklapt en dan kon ik ook niet hun gedachten voelen. Ik twijfelde niet aan mijzelf. Ik ervoer alles als volstrekt normaal, want ik wist immers niet beter. Ik was wel een beetje een eigenwijsje, een opgewonden standje
en had veel plezier. Ik praatte vaak honderduit in gedachtentaal tegen mijn vrienden, die ik altijd om mij heen voelde. En vooral dacht ik dat ik alles kon wat ik wilde. Aan zelfvertrouwen had ik toen nog geen gebrek. Het leven was zo simpel. Ik vond iemand aardig of niet, maar verder dacht ik er niet over na. Ik ging mijn eigen weg, zoals elk kind dat doet.
Met mijn blote voeten gleed ik door het warme zand van de zandbak en vage herinneringen drongen zich aan mij op. Waar ze vandaan kwamen, begreep ik niet, maar zoals gewoonlijk liet ik ze gewoon zonder nadenken over mij heen komen.
Ik ging rechtop staan met mijn tenen friemelend onder het warme zand. Ik zag een beeld voor me verschijnen. Als een soort dia zonder scherm. Ik zag cactussen en een groot wit huis met rondom struiken waaronder je kon gaan zitten. Ik waande me terug in 
het verleden. In een leven waar ik ooit was geweest. Ik was een prachtige, slanke jonge vrouw geweest met een mooie jurk en droeg een sluier, waardoor alleen mijn groenbruine ogen nog maar te zien waren.
Als in hypnose gleed ik op blote voeten door het rulle zand van de zandbank. Mijn armen bewogen sierlijk en ik bekeek mijn prachtige armbanden. Ik was vooral verrukt van die mooie enkelbanden die ik droeg. Ik ging buikdansen en draaide met mijn heupen. Ik draaide mijn armen boven mijn hoofd.

Tot ik de bakker hoorde, want toen waren mijn gelukzalige herinneringen op slag verdwenen.
Ik rende op blote voetjes door de tuin, want ik wist dat ik van de bakker iets lekkers kreeg.
Na deze aardse interruptie begon de 'grote buitenwereld' weer te trekken.

Ik vond een gaatje in de heg. Ik stak eerst een been door het gaatje, maakte het wat groter en duwde mezelf door de heg. Ik probeerde met kleine pasjes, struikelend, toch op de been te blijven met de ligusterblaadjes in mijn haar.
Als een buikschuiver trok ik me omhoog aan de vensterbank van het timmerbedrijf. Allerlei mensen kwamen naar buiten gerend. Mijn beppe, de slager, maar ook mijn vader was ondertussen thuisgekomen. Hij zette me lachend op zijn schouders. Ik was sneller thuis dan mijn ontsnappingspoging geduurd had.

 

Dubbel

Het dubbele gevoel in mij bracht me soms in verwarring. De ene kant in mij speelde als kind en luisterde naar mijn ouders en probeerde zich aan te passen aan de regeltjes die kennelijk iedereen normaal vond. Die andere kant in mij voelde zo anders. Ik wist veel meer dan ik op deze leeftijd zou kunnen weten. Ik wist dingen die mij hier niet geleerd waren. Ik kon denken met mijn ziel; ik voelde me geen kind. Opstandig vroeg ik me af waarom ik niet meer wist waar ik toch vandaan kwam. Ik wist vaag dat ik heel gelukkig was geweest en niet zo klein als ik nu was. Het was er  zonnig, daar waar ik vandaan kwam.
Wie had mij hier gebracht?
"De ooievaar," grapte mijn oudste broer toen ik dit in de zandbak aan hem vroeg. Ik had hem verteld dat ik hier eigenlijk niet woonde, maar dat ik ook niet meer wist hoe ik hier gekomen was.
Met opzet molde ik zijn hijskraan, omdat hij om me lachte. Geïrriteerd bekeek ik mijn kleine handjes.
Ik kon naar mijn idee niets normaal vastpakken met die kleine vingertjes. Dat probleem had ik ‘vroeger’ niet.
"Je komt net als ik uit moeders buik,” vertelde mijn oudste broer uiteindelijk, “want daar komen
alle kinderen vandaan."
Ik begreep het niet. Even kreeg ik een visioen dat alle kinderen van het dorp die uit mijn moeders
buik kwamen. Mijn broer hielp me snel uit de droom en zei dat uit alle moederbuiken kinderen kwamen.
Wanneer het slecht weer was, las ik binnen graag voor. Met mijn benen recht vooruitstekend op een stoel las ik voor uit mijn plaatjesboek, waarbij ik zogenaamd met mijn vinger bij de regels langs gleed. Het was altijd hetzelfde kartonnen boekje, waar plaatjes van eendjes in stonden.
Er was een plaatje bij van een eendje aan de waterkant dat niet meer wist waar hij woonde. Ik was allang klaar met voorlezen als ik wegdreef op een ‘heimwee-wolk'.
Mijn keel werd dik en ik wilde eigenlijk gewoon huilen van het verdriet, want ik was ook verdwaald, net als dat eendje. Ik wist ook niet meer precies waar ik nu eigenlijk thuishoorde.

 

©2025 sylvialucia

Lees meer »

Voorwoord en Inleiding

VOORWOORD

 

Gezien de vele grondige onderzoeken naar het verschijnsel

van reïncarnatie, waaronder de uitgebreide en wetenschap-

pelijk verantwoorde studie van Stevenson een bijzondere plaats

inneemt, mag reïncarnatie als empirisch bewezen beschouwd

worden.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis ook voor de verschijnselen

van uittreding en telepathische communicatie.

In dit boek zult u dan ook gelukkig niet nog meer bewijzen voor

deze verschijnselen vinden.

De auteur geeft slechts een illustratie van de manier waarop

haar ervaringen met deze verschijnselen haar hele leven vanaf

haar geboorte hebben bepaald.

Zij doet dit op een pretentieloze, boeiende en waarheidsgetrouwe

We wijzen.

Het resultaat is daardoor een levensechte documentaire gewor-

den over de geheime, fascinerende wereld achter de nuchtere

werkelijkheid van alledag.

De auteur beschouwt zichzelf niet als paranormaal begaafd. Zij

heeft een afkeer van dit "etiket". Zij vertelt haar verhaal onbevangen

verhaal tot in details.

Het is een prachtig verhaal geworden.

 

Jozef Maes, parapsycholoog

Helaas, ik heb geen glazen bol. 
Ik verklaar mijn bijzondere ervaringen met kwantumfysica. 

Sylvia 

Lees meer »

Het is wonderbaarlijk dat Sylvia Lucia bijzondere herinneringen op zeer jonge leeftijd uitsprak. Wat weet een willekeurig kind nog van zijn terugkeer van de ziel, de Bijbel of de geschriften, of over de complotten, politiek en het aardse leven?

Haar ervaringen trekken de instituties, die eeuwenlang hebben beweerd de enige kennis te hebben van de waarheid over leven en dood, in twijfel. Een waarheid die de religie en wetenschap stelselmatig probeert te verbergen.

Hoe wist een kind over de terugkeer van de ziel en het verder leven in een andere, parallelle wereld?
Het antwoord begint niet met theorieën of heilige geschriften. Het begint met de woorden van iemand die nog nooit heeft geleerd om het onmogelijke te ontkennen.

Sylvia Lucia heeft decennialang geprobeerd haar kennis te delen, die ze verkreeg van Oliver J. Lodge.  Echter, ze werd overspoeld door mensen die wetenschappelijk bewijs wilden. Mensen die haar voor gek verklaarden of mensen die haar een glazen bol toedichten en constant vragen stelden over hun eigen toekomst. Zelfs parapsychologen lachten haar honend uit, want Sir Oliver J. Lodge, een beroemde natuurkundige, zou echt niet bij een meisje uit een Fries dorp aankloppen om te helpen zijn belofte na te komen.

Door alle negativiteit die naar eigen zeggen haar ziel bezoedelde, besloot ze dat het doorgeven van berichten van Oliver J. Lodge niet per definitie inhield dat ze verantwoordelijk was voor wetenschappelijke bewijzen of dat ze de problemen van een ander moest oplossen. 

Uiteindelijk heeft Raymond Lodge, de omgekomen zoon van Oliver J. Lodge, haar bijgestaan om wetenschappelijk te bewijzen waar zijn daadwerkelijke eerste graf was. Iets wat toen nog niet bekend was bij de First World War Association. Na een diepgaand onderzoek bleek dat Sylvia Lucia zijn eerste graf terugvond, voordat zijn lichaam werd herbegraven. 
Nadat ze dit wetenschappelijke bewijs beschreef in haar boeken, maar men kennelijk nog niet tevreden was, trok ze zichzelf en haar boeken terug. 

Ze laat de verhalen van haar eerste boek, ''Heimwee naar de Pinkstertuin,'' achter op deze blog voor hen die er troost uit putten, omdat ze zo heel erg waar zijn.
Ze wil proberen in de tijd die haar nog gegeven wordt om de boeken die ze uit de handel haalde in een omnibus samen te voegen en uit te brengen voor de liefhebbers.

(Waar geen rust is en men niet openstaat, kan men niet ontvangen) 

 

Sylvia Lucia                                          Oliver J. Lodge
3-5-1963

Sylvia Lucia is schrijfster van thrillers (genomineerd voor de Bronzen Vleermuis), kinderboeken, romans en series. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.