Hoofdstuk 4

 

Heimwee naar de Pinkstertuin

Toen, zomaar op die ene belangrijke en nooit te vergeten dag, mocht ik met Jezaibel mee op reis. De reis die een onuitwisbare indruk op mij achtergelaten heeft. Ik was ondertussen een jaar of tien. Het was de nacht van zondag, de eerste pinksterdag, op maandag. Ik werd wakker terwijl mijn lichaam sliep en voelde me het gewichtloze balletje dat er ergens boven mijn navel uitging. Het moment dat ik als ‘balletje’ mezelf naar beneden voelde glijden, vond ik nooit zo prettig. Ik kreeg dan meestal een draaierig gevoel, waarvan ik zelfs vaag duizelig en misselijk werd. Ik probeerde het vaak ook tegen te houden.

Deze keer was het anders. Ik viel vrij snel toch in slaap om daarna weer wakker te worden en als het gewichtloze balletje, zonder enige moeite, uit mijn navel te floepen. Ik zag Jezaibel bij mijn bed staan. Ik zag hem nooit helemaal als een persoon, maar ik zag zijn bovenlijf dat was gekleed in een wit gewaad, gedrapeerd om zijn lichaam. Het was allemaal enigszins vormeloos, verwaaid, als energie die opdwarrelde.
Jezaibel had grijswit haar, dat vrij lang in de nek was en bovenop zijn hoofd een kale kruin, en een zilverwitgrijze baard. Hij zei tegen mij dat hij mij iets wilde laten zien wat belangrijk voor mijn ontwikkeling was. We gingen op reis.
Verschrikt zei ik dat ik niet zomaar mee kon gaan, zo ver van huis; dat zouden mijn ouders nooit goed vinden. Glimlachend zei Jezaibel dat hij dat begreep.
“Wie wil je meenemen?” vroeg Jezaibel.
Ik dacht diep na.
“Hier krijg ik last mee,” weifelde ik zonder zijn vraag te beantwoorden.
“We zullen je vader meenemen, goed?” vroeg hij glimlachend.
“Mijn vader slaapt toch?” zei ik, verontwaardigd over zoveel domheid.
Jezaibel bleef glimlachen, ondanks al mijn verontwaardiging en opstandigheid. Het verbaasde me zo dat hij nooit kwaad werd.
“We nemen hem gewoon slapend mee,” zei hij lachend.
Er waren nog veel meer ‘energieën’. Dat had ik wel vaker gevoeld wanneer Jezaibel bij me was, maar ik zag en voelde de rest niet altijd. Het leek meestal alsof ze buiten mijn slaapkamer waren, omdat ze op dat moment geen duidelijke rol speelden.
Deze keer waren ze wel duidelijk aanwezig. Er waren heel veel helpers, maar Jezaibel deelde duidelijk de lakens uit, hoewel zeker niet op een dominante manier. Het was een natuurlijk leiderschap. Op een vanzelfsprekende manier wist iedereen wat hij moest doen.

We keken door de muur naar de slaapkamer van mijn ouders en ik zag dat de slapende energie boven hun lichamen hing, verbonden met een koord. Twee helpers namen mijn vader tussen hen in. Zijn ‘geest’ werd even wakker en hij vroeg wat er aan de hand was. Het werd hem met gedachtekracht uitgelegd. Hij antwoordde dat het goed was en ging meteen weer slapen. Ik moest erom lachen.

We gingen zwevend door de ruimte, het was een hele optocht, waarbij ik mijn vader goed in de gaten hield door steeds achterom te kijken. Zelf werd ik vastgehouden door Jezaibel en door nog iemand die ik niet goed kon zien.
We kwamen aan bij groene heuvels. Zo mooi groen had ik gras nog nooit gezien. Met een dal in het midden waar gras groeide met kleine, frisse bloemen. Achter mij was een glazen tunnel waaruit allerlei mensen kwamen, ondersteund door ‘energieën’ die hier bekend waren. Het was er licht en helder als op een zonnige voorjaarsdag. Kennelijk kon je de tunnel ook overslaan, begreep ik, want we waren er niet via de tunnel gekomen, maar we waren op een andere manier door de barrière gegaan. Ik had inderdaad opgemerkt dat er een soort dikke laag of massa van energie tussen het heelal en 'het andere land' was, maar lichtgestaltes hadden er een opening vrijgehouden.

Achter iedere heuvel is een trilling

Jezaibel legde mij uit dat achter elke heuvel een trilling was. De trilling van je geest trok naar de trilling achter die heuvels, naar daar waar je thuishoorde. We stonden op een verhoogd stuk gras bij de derde heuvel van rechts, vanaf de glazen tunnel. Mijn vader had niet dezelfde trilling als ik en mocht niet verder mee. 
Ik schudde hem wakker en vroeg of ik even met Jezaibel over de heuvel mocht kijken. Mijn vader zei dat het wel goed was. Hij liet zijn hoofd weer zakken en sliep weer verder, hangend tussen twee begeleiders in, die duidelijk bij mijn zielengroep hoorden, maar hem nu ondersteunden.

Ik ging over de heuvel en over het pad waar een slingerend weggetje liep dat daarmee alle heuvels verbond. Aan de andere kant van die heuvels, waartoe ik met mijn trilling kennelijk behoorde, zag ik de prachtigste bloemen staan die ik ooit had gezien. Ze waren blauw, paars en lila. Ik kon ze geen naam geven en ook de kleur had geen naam, maar ik vond het pinksterbloemen in de kleur van blauwe druifjes en ik zag een soort korenbloemen. Het was er heerlijk warm, maar niet ‘te’ warm, en de lucht was stralend en strak lichtblauw.

In het dal had ik het gevoel gehad dat het een prille voorjaarszon was geweest, maar hier was het zomer. Hoogzomer! Ik zocht de zon, maar ik zag haar niet. Iets wat ik erg raar vond; het was namelijk zo heerlijk licht. Ik vroeg of ik door de bloemen mocht dansen en lachend stond Jezaibel het toe. De bloemen kwamen tot mijn middel en ik danste en huppelde door de bloemen. Op blote voeten danste ik en ik voelde mij verrukt en gelukzalig en totaal één met mijn omgeving. Alle bloemen die ik vertrapte, kwamen meteen terug in de goede stand, alsof er niets gebeurd was.
Plotseling, als door een wesp gestoken, bleef ik staan; ik was mijn vader helemaal vergeten. Snel draaide ik me om. Mijn vader was voor een moment wakker geworden en zwaaide vrolijk naar me. Lachend hing hij tussen twee helpers in die hem, zo te zien, wel vast moesten houden, want hij hing er als een zoutzak bij, ondervond ik met een binnenpretje. Hij vond het een prachtig gezicht me te zien dansen door de bloemen en hij genoot zichtbaar met een blij lachend gezicht.

 

Mijn thuis

Ik zag rechts een wit schelpenpaadje om de bloemenzee heen lopen en daar weer rechts van een groot groen gazon. Ik danste rechtdoor en maakte een bed in de pinksterbloemen, waar ik op mijn rug ging liggen kijken naar de strakblauwe lucht. Er stond een vrouw in de tuin, met een jongen aan haar hand. Ze had zwart haar met grijze lokken erdoorheen. Ze lachte lief naar me als een begroeting.
Jezaibel vroeg of ik over het grasveld wilde rollen. Dat wilde ik natuurlijk dolgraag en opnieuw kwamen alle grassprieten die ik plattrapte meteen weer overeind. Aan de zijkant was een boom, waaronder het heerlijk koel was en waar ik voor een momentje bleef liggen. Het was er stil, Jezaibel had zich kennelijk teruggetrokken en ik dacht plotseling aan mijn vader. Zou hij ongerust worden?
Ik keek op en ontdekte een prachtig wit gebouw aan de andere kant van het grasveld. Ik vroeg Jezaibel, die net zo snel naast me stond als hij weer verdwenen was, of ik heel eventjes mocht kijken daarbinnen. Dat mocht en we gingen door een deur die in het midden van het gebouw zat, waardoor we in een heerlijke, koele hal kwamen. Boven de deur was een rond teken met iets erin, maar wat voor teken het was begreep ik niet. Binnen was een ruime, witte hal met veel tegels. Grote ronde terracotta-kleurige potten met enorme planten, een soort varens, stonden in de hal.

De achteruitgang bestond ook uit twee grote, dubbele, wijd open slaande deuren. Ze bevonden zich recht tegenover de dubbele voordeur, aan de andere kant van de hal. Ik mocht even buiten kijken, terwijl Jezaibel bij een patiënt ging kijken. Een aardige, rustige zuster in een witte jurk legde me uit dat Jezaibel zijn taak bestond uit het opvangen van overledenen die net van de aarde naar hier gekomen waren. Er waren rustkamers links en rechts van de hal.
Relaxed liep ik naar buiten. Ik was niet bang, ik had hier zelf gewoond. Maar nu ik weer een ander leven op aarde opbouwde, waren mijn herinneringen aan wie ik toen geweest was verdwenen. Maar de energie die er hing, de sfeer die ik voelde, het was zo eigen. Hier hoorde ik, hier resoneerde mijn energie met de omgeving en met de andere mensen die hier waren. Dit was de bron waar ik thuiskwam. 

Het bankje

Ik liep naar buiten. Achter het witte gebouw werd de tuin verkoeld door bomen. Er stonden twee enorme Amerikaanse bomen, waar ik uit wilde rusten in de schaduw. Ik keek rond. De grond was van hard zand, met hier en daar verspreid wat graspollen. Ook zag ik in de verte een bruin houten tuinbankje.
Er stonden enkele jongvolwassenen bij het bankje. Ze lachten samen, tot iemand mij opmerkte. Ze vielen stil. Kort daarop werden ze blij en onthutst om mij daar te zien. Ze herkenden mijn energie en wenkten me enthousiast om dichterbij te komen, maar ik durfde niet. Ik wist dat het mijn vrienden waren, maar ik durfde niet, want ik was nu een ander meisje dan toen en ik wist niet meer wie ik toen was. Ik herinnerde me dat niet meer. Daarom schudde ik verlegen van: 'Nee.'
Ik voelde de emoties van verdriet vanuit de groep. Ze waren verdrietig omdat ik niet meer wist wie ik was. En ook ze doorvoelden wat voor leven ik nu had, dat het zwaar voor me was en dat er nog zoveel moeilijke momenten zouden komen. Ik voelde mededogen en liefde. 

 

De indeling van het witte gebouw

Jezaibel voelde mijn onmacht en kwam door de dubbele deuren naar buiten. Hij riep me en ik rende naar hem toe. Ik vroeg hem waarom alles me zo eigen was en waar ik hem en de mensen bij het bankje van kende, want ik herinnerde me niets meer.
Hij stopte en keek me aan. 
Hij vertelde me dat deze plek in de derde dimensie was. Hier was ik ooit begonnen met mijn cycles van levens. Hier kwam ik terug na een leven op aarde.
In verschillende levens op aarde hadden we elkaar ontmoet. In een recent leven op aarde was ik zijn dochter geweest. Hij was toen mijn vader,  maar nu had ik een andere vader. In dat leven had ik niet lang op aarde geleefd. Ik was enkele minuten na mijn geboorte al gestorven. Mijn officiële naam zou Laura zijn, genoemd naar een zus van Oliver J. Lodge, hoewel ze twijfelden om me Leile te noemen. Wie was ik nu? Sylvia of Leile?

We gingen opnieuw het gebouw binnen en hij vroeg de zuster of ze mij wilde laten zien wat er in dit opvanggebouw gedaan werd. In de hal kon je links en rechts een gang in. Aan iedere kant van die gang waren twee grote kamers met aan de voorkant, waar het gazon lag, heel veel ramen. Het deed me denken aan een oud schoolgebouw met klaslokalen, maar dan met allemaal tegels en plavuizen en hoge gangen. Het was er ruim en licht, hoewel het beslist geen pracht en praal was, maar juist erg eenvoudig. De kleur van het zonlicht was niet te benoemen; het was zo mooi en helder.
Hoewel het qua heldere lucht en wit gebouw, met een prachtig gazon ervoor met rozen, erg veel aan de dia van tante Zuster deed denken, was het hier nog veel mooier. Het heldere licht dat hier scheen, leek alles honderd keer mooier te maken dan alle tuinen die ik op aarde had gezien.

Jezaibel kwam mij en de zuster opzoeken, want hij vond het de hoogste tijd dat we teruggingen, maar ik wilde niet. Ik wilde daar blijven, maar Jezaibel benoemde het feit dat mijn vader op mij wachtte. 
Ik snikte nu van verdriet. Ik moest kiezen, want immers als ik hier bleef, was mijn vader op aarde verdrietig en als ik met mijn vader terugging, moest ik dit hier achterlaten. Ik vond het zo moeilijk.
Jezaibel bukte en omarmde mij en zei dat ik niet verdrietig moest zijn. Hij was en bleef mijn vader van de Pinkstertuin en hij zou me altijd opzoeken, ook al zag ik hem misschien niet. 
Ik moest nu echt terug van Jezaibel en samen met mijn alweer slapende vader gingen we terug.


Ontwaken

Ik merkte niets van mijn terugkeer. De volgende ochtend werd ik gewoon wakker in mijn lichaam. Maar deze uittreding veranderde mijn leven, want daarna was niets meer hetzelfde. Mijn heimwee werd nog erger nadat ik in de Pinkstertuin was geweest. Nog zijn er momenten, zoals op een stralende, zonnige, windstille dag met een blauwe hemel, dat ik een knagend gevoel van heimwee voel.
Momenten dat ik zo graag even ‘daar’ zou willen zijn, waardoor de tranen me spontaan in de ogen springen, omdat het niet kan. Waar ik op dat moment ook ben, het maakt niet uit, dat intense, knagende en niet te omschrijven heimweegevoel is altijd gebleven. 

 

Note:

Mijn vader had al die tijd geslapen, maar wist jaren daarna nog steeds te vertellen dat hij ooit had gedroomd dat het Pinksteren was en dat hij mij in een droom had zien dansen door de bloemen. Iedere keer als het liedje op de radio was van ‘Op een mooie pinksterdag’ van Leen Jongewaard, moest iedereen even stil zijn, want het was zijn liedje.

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb